tweeëntwintigste open brief

 Mister D,

Deze brieven zijn even vluchtig als onze poëzie blijvend zal zijn. 
Bovenstaande zin is niet van mij, maar van Jack Spicer. Het is de eerste zin in zijn boek Citroenen, gedichten en zeewier. Ik schrijf geen blijvende poëzie, in die zin van Spicer past deze dief één woord aan: Deze brieven zijn even vluchtig als jouw poëzie blijvend zal zijn.

In Citroenen, gedichten en zeewier kom ik Alias tegen in een gedicht over Billy the Kid en regels uit "My Heart's In The Highlands" van Robert Burns. Men zou er bijna iets achter gaan zoeken. Om de complottheorie een kers op de taart te geven: Spicer werd geboren op 30 januari 1925, zo lees ik in het nawoord van vertaler Jan. H. Mysjkin. Ik denk dan gelijk aan "Clothes Line Saga":

It was January the thirtieth
And everybody was feelin’ fine

Toeval natuurlijk, een toeval dat er alleen is door de kronkel in de geest van de toevallige passant. In datzelfde nawoord schrijft Mysjkin: "Voortdurend komt men in zijn werk geesten, schaduwen, maskers tegen - beelden van iets wat de mens begeleidt maar onvatbaar blijft wanneer men ernaar reikt." En gelijk zie ik in die zin een verwantschap tussen jouw werk en het werk van Jack Spicer.

Dit is voorlopig even de laatste brief. De postzegels zijn op. Bovendien is het postkantoor gestolen.
Laten we afspreken, ergens in het najaar. Een avondje AFAS Live of zo. Carré mag ook. Misschien nog wel beter. Jij op het podium, ik in het publiek. Speel dan "Stuck Inside Of Mobile With The Memphis Blues Again". Je huidige stem, je Rough And Rowdy Ways-stem leent zich uitstekend voor "Mobile". 
Bij geen tegenbericht ga ik er van uit dat die afspraak staat.
ik zie je dan.

T.

Geen opmerkingen: